IN NAAM DER KONINGIN
Arrondissementdrechtbank 's-Gravenhage
Sector Civiel Recht -President
Vonnis in kort geding van 27 oktober 2000
Gewezen in de zaak met rolnummer KG 00/1212 van:
Marcel van Vliet
Wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel
Eiser,
Advocaat mr. B. van der Horst te Asten
Tegen:
De vereniging KNAC Nationale Autosport Federatie
Advocaat mr. F.C. Kollen te Bussum
1. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 oktober 2000 wordt in dit geding van het navolgende uitgegaan.
Eiser is autocoureur en is reeds sedert 11 jaren licentiehouder van gedaagde. Hij beoefent als semi-prof de autosport.
Eiser is op 5 augustus 2000 tijdens de Pearl Alfa 156 race van de Marlboro Masters betrokken geweest bij een botsing met een andere autocoureur in de Tarzanbocht op het circuit te Zandvoort.
Naar aanleiding van dit incident heeft de wedstrijdleider eiser na de wedstrijd een tijdstraf van 30 seconden opgelegd. Het betreffende protest van eiser is op 6 augustus 2000 door de sportcommissarissen afgewezen.
Tegen de beslissing van de sportcommissarissen heeft eiser beroep ingesteld bij het College van Beroep voor de Autosport (hierna: "het College").
Bij uitspraak van 30 augustus 200 heeft het College het beroep van eiser afgewezen, de uitspraak van de sportcommissarissen respectievelijk de wedstrijdleider bekrachtigd en eiser in de kosten van het geding veroordeeld, begroot op F 1.500,--.
Eiser stond ten tijde van de zitting tweede in het kampioenschap Alfa 156 Challenge met een achterstand van 25 punten op de leider in het klassement.
2. De vorderingen, de gronden waarvoor en het verweer.
Eiser vordert -zakelijk weergegeven- gedaagde op straffe van een dwangsom, te verbieden uitvoering te geven aan de uitspraak van het College van 30 augustus 2000.
Daartoe voert hij het volgende aan:
De uitspraak van 30 augustus 2000 is jegens hem discriminerend, nu het voor hem niet mogelijk is om bij enige instantie in hoger beroep te gaan. De reglementen bevatten op dit punt een lacune die door de President in kort geding dient te worden opgevuld;
Het College was niet bevoegd van zijn zaak kennis te nemen, nu daarvoor een statutaire grondslag ontbrak en het College dus geen statutair bevoegd orgaan was;
Aan de uitspraak van 30 augustus 2000 kleven een aantal gebreken, te weten: de uitspraak is gedaan door een even aantal rechters, het College heeft kennis genomen van processtukken die niet van partijen afkomstig waren, de gehoorde getuigen zijn door het College beïnvloed, de uitspraak is gebrekkig gemotiveerd, de opgeworpen formele verweren zijn niet behandeld, de proceskosten-veroordeling deugt niet en bovendien is het dictum van de uitspraak onbegrijpelijk, nu het College onaangekondigd de grondslag voor de uitspraak heeft gewijzigd.
De uitspraak van 30 augustus 2000 is derhalve uit hoofde van de inhoud en de wijze van totstandkoming in strijd met de statuten van gedaagde en beginselen van een behoorlijk procesrecht. Gedaagde handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door eiser aan deze uitspraak te houden.
Aangezien hem de opgelegde strafseconden de zege in het kampioenschap kan kosten, heeft eiser een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding.
Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3. De beoordeling van het geschil
3.1 In de eerste
plaats heeft gedaagde zich verweerd door aan te voeren dat de
President niet bevoegd is om kennis te nemen van onderhavige
vordering, nu het College bij uitsluiting bevoegd is om alle
geschillen tussen partijen te beslechten.
Dit verweer wordt verworpen. Dienaangaande geldt dat de grondslag
van de vordering is dat de uitspraak van 30 augustus 2000 qua
inhoud en wijze van totstandkoming zodanig in strijd is met de
statuten van gedaagde en beginselen van behoorlijk procesrecht
dat gedaagde in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid
door eiser aan deze uitspraak te houden. Deze grondslag
constitueert reeds de bevoegdheid van de President in kort
geding, zij het dan dat in kort geding slechts een marginale
toetsing mogelijk is.
3.2 Uitgangspunt moet zijn dat de uitsprak van het College van 30
augustus 2000 in beginsel rechtmatig is. Slecht in het geval dat
de beslissing berust op een juridisch of feitelijke misslag of
evident in strijd is met hetgeen op grond van de eisen van
redelijkheid en billijkheid mag worden verwacht, kan een
ordemaatregel in kort geding op zijn plaats zijn.
3.3 Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. De bevoegdheid
van het College volgt reeds uit het feit dat eiser de
toepasselijkheid van het Reglement Autosport Rechtspraak niet
heeft betwist, op grond waarvan het College bevoegd is om van
tuchtrechtelijke geschillen kennis te nemen, nog daargelaten dat
in het nadeel van eiser pleit dat hij voornoemd
onbevoegdheidsverweer niet al ten overstaan van het College heeft
gevoerd.
Ter zitting heeft gedaagde gesteld dat slechts drie rechter de
uitspraak hebben gewezen en dat de vierde niet aan de
beraadslagingen heeft deelgenomen. Derhalve moet worden
vastgesteld dat, ook al is de gang van zaken in dit opzicht niet
duidelijk geweest, eiser geen belang meer heeft bij zijn klacht
over het even aantal rechters. De "vierde" rechter kan
immers hoe dan ook geen beslissende invloed hebben gehad op de
uiteindelijke beslissing.
3.4 Wat de overige formele verweren van eiser betreft, geldt dat
in het beperkte kader van dit kort geding niet is gebleken dat de
beslissing op de door eiser geschetste punten evident in strijd
is met de redelijkheid en billijkheid.
Alhoewel aan eiser kan worden toegegeven dat de motivering van
het College niet in alle opzichten even uitbundig is geweest,
komt deze toereikend en zeker niet onredelijk voor. Dat voor
eiser geen beroep bij het International Court of Appeal van de
FIA openstaat, berust op het feit dat de reglementen van die
organisatie nu eenmaal geen beroepsmogelijkheid van Nederlandse
coureurs tegen de door bevoegde Nederlandse organen gegeven
beslissingen kennen.
3.5 Het voorgaande rechtvaardigt het oordeel dat de beslissing
van het College rechtsgeldig is en dat de 30 seconden straftijd
aan eiser kon worden opgelegd. De vorderingen moeten dan ook
worden afgewezen.
3.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden
veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. De beslissing
De President:
Wijst de vorderingen af;
Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan
de zijde van gedaagde begroot op 1.950,--, waarvan
400,-- aan griffierecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. van Delden en uitgesproken
ter openbare zitting van 27 oktober 2000 in tegenwoordigheid van
de griffier.
w.g. A.H. van Delden.