Mr. Breus van der Horst verliest beroep inzake Van Vliet versus KNAF

Uitspraak van het college van beroep voor de autosport

Inzake: M. van Vliet

1. Het College van Beroep voor de Autosport, -bestaande uit de heren Mr. J.L.M. Fruytier (voorzitter), ing. J.A. Kok, J.W.A. Grimmelt en Mr. M.J.J. van den Enden (leden) - is op 30 augustus 2000 in het vergadercentrum van "Hotel Ibis" te Leiderdorp bijeen gekomen ter behandeling van het beroep van de heer M. van Vliet tegen de beslissing van de sportcommissarissen van 6 augustus 2000. Het betrof een beslissing aangaande het Marlboro Masters evenement, de Alfa 156 Klasse, meetellende voor het Nederlandse Kampioenschap.

2. Het College heeft kennis genomen van de tevoren overgelegde processtukken genummerd 1 t/m 10, alsmede fotomateriaal en videobanden.

3. Ter zitting zijn gehoord:

De appellant, de heer M. van Vliet

Zijn raadsman, mr. B. van der Horst

Namens de sportcommissarissen de heer E.W. Berger

De wedstrijdleider de heer A.G.M. Splinter

Betrokken rijder mevrouw G. Uljee

Opgeroepen getuige de heer F.A. Lubin

4. Het beroep richt zich tegen de afwijzing van het protest van de sportcommissarissen van een beslissing van de wedstrijdleider, waarin Van Vliet een penalty van 30 seconden werd opgelegd, verband houdende met onzorgvuldig rijgedrag als bedoeld in artikel 2.2 van het Bijzonder Reglement Rijgedrag.

5. Het College heeft kennisnemende van de processtukken, foto's en videomateriaal, alsmede gehoord betrokkene, vastgesteld dat hier sprake is geweest van onzorgvuldig rijgedrag door appellant. Als zodanig bekrachtigt zij de beslissing van de wedstrijdleider en het besluit van de sportcommissarissen om het protest van Van Vliet af te wijzen. Zij baseert haar oordeel op het gegeven dat van Vliet, onmiddellijk na de start, op de uitrijstrook van de Pitstraat heeft geprobeerd een aantal voor hem liggende auto's in te halen, en zich daarbij in een positie heeft gemanoeuvreerd dat hij de wedstrijdbaan … [noot: hier ontbreekt een woord c.q. woorden], daarmede het niet te verwaarlozen risico nemende dat hij in botsing zou komen met de mede racers, die naar de mening van het College geen rekening hoefden te houden met de consequenties van deze indringstart. Van Vliet heeft aldus niet sportief en zorgvuldig gereden en met zijn risicovolle manoeuvre niet alleen de deelnemers aan de wedstrijd benadeeld maar ook het niet te verwaarlozen risico genomen om een ongeluk te veroorzaken.

6. Door de raadsman van appellant zijn voort een aantal formele weren in het geding gebracht zoals nader omschreven in de pleitnota als voorgedragen ter zitting en overgelegd. Het College is van mening dat geen van de formele gronden doelt treft omdat niet ingezien wordt hoe -los van de strekking van de weren- appellant in zijn belangen of verdediging is geschaad. Voor zover nodig en wellicht ten overvloede merkt het College op dat de wedstrijdleider en sportcommissarissen hun beslissing duidelijk hebben gezien op het bepaalde in artikel 2.2. van het Bijzonder Reglement Rijgedrag, dat de wedstrijdleider ingevolge artikel 3 van het Bijzonder Reglement Rijgedrag het recht heeft om de opgelegde straf ook daadwerkelijk toe te kennen en het niet ongebruikelijk is dat de benodigde formulieren tevoren worden opgemaakt en achteraf worden getekend. Dat appellant alsmede zijn raadsman tijdig in het bezit zijn gekomen van alle benodigde stukken. Dat de regels omtrent rijgedrag dermate essentieel zijn voor deelnemers aan de wedstrijd en het belang van de sport tot strikte naleving daarvan in het belang van een ieder is, en dat het Bijzonder Reglement Rijgedrag goedgekeurd is door het Federatiebestuur ter gelegenheid van de jaarlijkse vaststelling van de diverse regelen.

7. Het College merkt voorts met betrekking tot de strafmaat op dat de opgelegde straf in relatie tot het voorval niet buitenproportioneel is en dat een mogelijke consequentie voor het al dan niet verliezen van het kampioenschap ten gevolge van de opgelegde straf voor rekening van appellant dient te komen, die met betrekking tot zijn kansen op het kampioenschap rekening diende te houden met zijn rijgedrag tijdens de wedstrijd.

8. Het College komt derhalve tot de navolgende uitspraak:

A. Verklaart appellant ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen de beslissing van de sportcommissarissen;

B. Wijst het beroep van appellant af;

C. Bekrachtigt de uitspraak van de sportcommissarissen, respectievelijk de wedstrijdleider;

D. Veroordeeld appellant in de kosten van dit geding te begroten op FL 1.500,--

Aldus gedaan te Leiderdorp op 30 augustus 2000-09-08 Het College van Beroep Voor deze: Mr. J.L.M. Fruytier voorzitter
[noot: in verband met het schenden van het toepasselijke procesrecht en wegens het schenden van een behoorlijke procesgang is inmiddels een kort geding aanhangig gemaakt. Dit kort geding zal dienen bij de president van de arrondissementsrechtbank te Den Haag in de eerste week van oktober 2000. Wordt vervolgd.]

 

Please note: this info is meant for educational and demonstrative purposes only. Review this legal information with your motor sports attorney before using them in your particular situation.
Motorsportlaw.org makes no warranties, express or implied regarding the use or legal enforceability of the legal information listed on this site.