Hieronder
vindt u de integrale tekst van het pleidooi zoals dat op 30
augustus 2000 voor het College van Beroep voor de Autosport werd
gehouden om te voorkomen dat het kampioenschap in de Alfa
Challenge vroegtijdig zou worden beslist door de wedstrijdleider.
Hij legde Marcel van Vliet een tijdstraf op van 30 sec. waardoor
van Vliet 11 punten zou kwijtraken. Veel plezier met het lezen
COLLEGE VAN BEROEP VOOR AUTOSPORT
Zitting: 30 augustus 2000, 20. 00 uur
PLEITNOTITIE Van mr Breus van der Horst
advocaat
Tel. 0493-691237
Inzake beroep van M. van Vliet
tegen
Beslissing College van Sportcommissarissen d.d. 6 augustus 2000
Geachte Voorzitter, geacht College,
1. Inleiding: het race incident
Op 6 augustus 2000 om 09.30 uur gaat het startlicht op groen voor de Pearl Alfa 156 race van de Marlboro Masters. Kerseboom leidt het kampioenschap met 1 punt voor Van Vliet (rijder nr. 1). Uljee's teamgenoot Kerseboom heeft pole position. Hij weet zich reeds voor de Tarzanbocht los te rijden van de rest van het veld.
Uljee (rijder nr. 3) heeft een minder gelukkige start vanaf de tweede startrij. Zij komt terecht in een scrimmage met Zentveldt en verliest als gevolg daarvan een positie aan Duivenvoorde. Om niet in dit duw- en trekwerk betrokken te worden benut Van Vliet het vrije rechter gedeelte van de baan. Uljee zit opgesloten in een remmend groepje rijders. Van Vliet heeft ruimte voor zich waardoor hij op een beheerste wijze een fractie later kan remmen. Bij het insturen in de Tarzan rijden Van Vliet en Uljee nagenoeg naast elkaar de Tarzanbocht in. Uljee laat Van Vliet geen ruimte hoewel zij daartoe wel de mogelijkheid had en dwingt van Vliet het gras op. Wellicht heeft hier meegespeeld dat zij -als teamgenoot van Kerseboom- er belang bij had te voorkomen dat Van Vliet haar zou inhalen. Gevolg van de actie is dat beide rijders een touché hebben. De achterkant van Uljee's Alfa breekt uit.
Na een start is een touché in de Tarzanbocht op zich allemaal nog niet zo bijzonder. De rijders Uljee en van Vliet dienen dan ook geen protest in. Baanrapporten zijn er evenmin opgemaakt.
2. Het protest
Het zou allemaal anders gaan lopen door ingrijpen van de wedstrijdleider, de heer H. Splinter (hierna "WL"), zo'n anderhalf uur na afloop van de race. De WL legde Van Vliet een tijdstraf op van 30 seconden omdat hij Uljee had aangetikt in de Tarzanbocht. De WL concludeerde -als enige- dat Van Vliet hiervoor verantwoordelijk was. Weg kansen op het kampioenschap!
Van Vliet maakte kenbaar tegen deze straf protest in te willen dienen. Vervolgens liet de WL zijn beslissing op papier zetten door het wedstrijdsecretariaat (prod. 3). Hij werd gestraft op grond van art. 16 Wedstrijdreglement.
Van Vliet gaf als reden op voor zijn protest: "Ik ben het niet eens was met de opgelegde straf en heb nooit de intentie gehad om mw. Uljee van de baan te rijden. Ik rem later (op mijn rempunt). Gaby moest door voor haar rijdende auto's vrij vroeg remmen." (prod. 2).
3. De beslissing op protest
Het protest werd door de Sportcommissarissen afgewezen (prod. 1). De motivering luidde: Na verklaring gehoord te hebben van zowel de wedstrijdleider (zie rapport) als rijder nr. 3 (Uljee) is besloten om het protest af te wijzen. De straf opgelegd door de wedstrijdleider blijft gehandhaafd. Betreft tijdstraf van 30 seconden volgens art. 2.2. Bijzonder Reglement Rijgedrag.
4. Beroep
Tegen deze beslissing ging van Vliet bij u in beroep (prod. 4). Van Vliet heeft zelf hier ter zitting uiteengezet hoe hij het incident ervaren heeft. Hij betwist uitdrukkelijk dat er van een verwijtbare overtreding van art. 2.2 Bijzonder Reglement Rijgedrag (hierna "BRR") sprake zou zijn. Volgens de ongeschreven 1/3-2/3 autosport norm had Van Vliet Uljee in feite al ingehaald. Uljee had Van Vliet vrije doorgang moeten verlenen. Uljee had in de spiegels moeten kijken dan wel rekening moeten houden met Van Vliet (zie uitspraak CAR, zaak Schaafsma/Ciapponi onder punt 6).
Door dit niet te doen werd Uljee licht geraakt ter hoogte van de rechtervoordeur. Dit verklaart ook (mede) waarom Uljee geen protest aantekende. Zij trachtte haar teambelang zo goed mogelijk te beschermen door een wig te drijven tussen Kerseboom en Van Vliet. Helaas mislukte haar strategie.
In het dossier heb ik geen bewijs aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat van Vliet zich schuldig zou hebben gemaakt aan overtreding van art. 2.2 BRR. Van de touché zelf is op video niets te zien. Het uitbreken van Uljee's auto zou dan ook meerdere oorzaken kunnen hebben. Het blijft dus gissen wat er precies gebeurd is. Gelukkig heeft Van Vliet een deskundige getuige gevonden die het incident objectief kan analyseren omdat hij op dat moment aan de binnenzijde van de Tarzanbocht stond: de heer F.A. Lubin.
Ik zal mij in dit beroep verder beperken tot een aantal formele grieven, waarbij ik als volgorde hanteer de gegevens zoals vermeld in de beslissing (prod. 1):
Grief 1: Beslissing is niet geldig.
Uit de aanhef van het formulier Afhandeling Protest Sportcommissarissen (prod. 1) blijkt dat deze op 5 augustus 2000 is opgemaakt en ondertekend door de Sportcommissarissen Berger, Berkhof en Stoop. Dat is 1 dag eerder dat de race. Dat lijkt een futiliteit maar is het niet. Dan is de beslissing namelijk niet geldig.
Ik verwijs hiervoor naar Spoco-bulletin 1999-01 pag 10: De heer van Rosmalen heeft een aantal zaken bij de FIA behandeld waaruit lering kan worden getrokken. Een voorbeeld is dat een formulier afhandeling overtredingen voortaan getekend moet worden door alle leden van het college wanneer er een straf uitgesproken wordt, omdat het anders niet geldig is.
Nu begrijpt Van Vliet best dat het handig is om alvast een aantal formulieren getekend klaar te hebben liggen, maar het is nu eenmaal in strijd met de jurisprudentie van het International Court of Appeal van de FIA. Mochten de Sportcommissarissen als verweer hebben dat zij ondanks de onjuiste datering toch op 6 augustus 2000 getekend hebben, dan wijst van Vliet erop dat nog steeds niet voldaan is aan voornoemde jurisprudentie, omdat alleen de voorzitter onder de beslissing heeft getekend (zie uitspraak CAR zaak Gesman-Uljee onder punt 6).
Grief 2: Beslissing is reglementair onjuist.
De beslissing om het protest af te wijzen is reglementair onjuist. De WL heeft zijn tijdstraf gebaseerd op art. 16 Wedstrijdreglement. Als de Sportcommissarissen de moeite hadden genomen om dit artikel te lezen, dan hadden zij moeten constateren dat dit artikel niet van toepassing was op het onderhavige incident. Dit blijkt uit de daarin genoemde lijst met limitatief opgesomde overtredingen (zie ASJ 2000, pag. 186-187).
Mochten de Sportcommissarissen als verweer hebben dat Van Vliet donders goed wist waarvoor hij gestraft werd, dan stelt van Vliet dat hij juist van een ervaren College van Sportcommissarissen en van een door de wol geverfde WL mag verwachten dat zij zich aan de toepasselijke reglementen houden en deze op een juiste wijze toepassen. Daarbij verwijst van Vliet naar de uitspraak van uw College inzake Carly Motors B.V. van 23 augustus 1999, waar enkele procedurefouten reeds tot een vernietiging van de beslissing leidde.
Grief 3: WL was niet bevoegd.
De WL is op grond van het door hem telastegelegde artikel 16 alleen bevoegd om strafseconden op te leggen bij een valse start, een proefstart of het negeren van een blauwe vlag. Maar dat is in de onderhavige zaak niet aan de orde. De conclusie moet dan ook luiden dat de WL op deze grondslag niet bevoegd was om strafseconden op te leggen. Dat het formulier door mw Waterreus is opgemaakt doet niet terzake. De WL is hiervoor volledig verantwoordelijk.
Grief 4: Procedurefout
Weliswaar heeft Van Vliet de beslissing van de WL ondertekend (prod. 3), maar hem is door de Sportcommissarissen de kans ontnomen om het te bestuderen. De Sportcommissarissen hebben hem desgevraagd geen inzage verleend of kopie van die beslissing uitgereikt. Dit is in strijd met art. 29b van de toepasselijke Supplementary Regulations part B. Hierdoor is van Vliet in zijn verdediging geschaad omdat hij dit onjuiste rapport niet bij de behandeling van zijn protest bij de Sportcommissarissen heeft kunnen betrekken.
Grief 5: Raadsman worden stukken onthouden.
Vervolgens wendde Van Vliet zich tot mij als zijn raadsman teneinde het rapport te bemachtigen. Ik begaf mij op 6 augustus 2000 omstreeks 15.30 uur naar de starttoren. Sportcommissarissen weigerden ook mij desgevraagd inzage of kopie van de beslissing van de WL. Dat dit stuk redelijker wijze voor de verdediging van Van Vliet nodig was, deed niet terzake. Gefrustreerd verliet ik de toren. Had ik dat rapport wel in handen gekregen, dan had ik de Sportcommissarissen reeds toen op voornoemde grieven kunnen wijzen en waren zij wellicht tot een andere beslissing gekomen. Dan was dit beroep niet nodig geweest.
Juist van Sportcommissarissen zou je toch mogen verwachten dat zij zich aan de toepasselijke reglementen houden. Dit gedrag is daarnaast in strijd de algemene beginselen van een behoorlijk rechtspleging . Het onthouden van stukken aan een advocaat is nu eenmaal not done. Nederland is geen 'bananen-republiek'! Ik kan alleen maar hopen dat u de heren Sportcommissarissen hier op afrekent en hun beslissing vernietigt, althans de nadelige werking daarvan ontneemt.
Gelet op de aard en inhoud van deze grief verzoek ik u te beslissen dat de kosten van het geding en de kosten van rechtsbijstand, die de redelijkheidstoets kunnen doorstaan, volledig voor rekening van de beklaagde KNAF te laten komen.
Grief 6: Sportcommissarissen zijn hun boekje te buiten gegaan.
De Sportcommissarissen hebben eigenhandig de grondslag van de straf gewijzigd. De WL legde de straf op wegens art. 16 van het Wedstrijdreglement (Prod. 3) terwijl de Sportcommissarissen art. 2.2 BRR als grondslag hanteerden (Prod. 1). Het is misschien wel begrijpelijk dat de Sportcommissarissen een terminale fout van de WL hebben willen corrigeren. Zij zijn daartoe echter niet bevoegd. Zij mogen wel straffen verzwaren of verlichten, maar niet de grondslag wijzigen. Zij overschreden daarmee hun bevoegdheden zoals vermeld in art 140-141 CSI.
Grief 7: formele gebreken aan beslissing en BRR.
Indien en voor zover u het rechtens juist acht dat de Sportcommissarissen de grondslag zouden mogen wijzigen, dan stelt van Vliet dat deze beslissing is opgemaakt in strijd met de jurisprudentie van het International Court of Appeal van de FIA. Ook kan het Bijzonder Reglement Rijgedrag bij een internationaal evenement niet als kapstok fungeren. Het dient buiten toepassing te blijven.
Daartoe voert van Vliet aan dat de Marlboro Masters een internationaal evenement is . Dan dienen de beslissingen en reglementen te worden gesteld in een van de officiële FIA talen, te weten Engels of Frans. In het Spoco-bulletin was in de rubriek "Berichten uit Parijs" het volgende te lezen: "De heer van Rosmalen heeft ons de volgende tips gegeven om eventuele toekomstige beroepen niet op formele gronden te laten struikelen: De beslissing van de Sportcommissarissen bij een internationaal evenement moet worden gesteld in een van de officiële FIA talen (te weten Engels of Frans)."
Nu deze beslissing -maar ook het BRR- niet in zo'n taal is opgemaakt, voldoet deze niet aan de formele taalvereisten voor een internationaal evenement. Dat Van Vliet Nederlands kan lezen doet daar niet aan af. Gevolg zou namelijk kunnen zijn dat nederlandstaligen in het nadeel zijn ten opzichte van anderstaligen. Immers het BRR zou dan niet gelden voor anderstaligen terwijl beide groepen in hetzelfde evenement -de Marlboro Masters- deelnemen. De kern van de door ons zo geliefde sport is echter dat de competitie onder gelijke condities plaatsvindt.
Grief 8: Het BRR is niet goedgekeurd door de FIA.
De KNAF is nog immer nalatig in het vragen van goedkeuring door de FIA van het BRR. Nu die goedkeuring ontbreekt dient het bij evenementen -en zeker internationale evenementen- buiten toepassing te blijven.
Grief 9. Het BRR is onverbindend.
Zoals wij allen weten heeft uw College in de zaak Alderden-Euser vastgesteld dat het BRR 1999 -zoals gepubliceerd door de NAV in maart 1999- geen rechtskracht toekwam. De reden was dat de statutair vereiste goedkeuring door het Federatiebestuur van de KNAF ontbrak. Een soortgelijke situatie doet zich thans weer voor. Het BRR 2000 is in haar huidige vorm nimmer goedgekeurd en vastgesteld op een wijze zoals de statuten van NAV voorschrijven. In deze statuten staat namelijk nergens te lezen dat het bestuur van de NAV is opgedragen om reglementen goed te keuren of vast te stellen. Deze bevoegdheid kan dan op grond van art. 18, lid 1 van die statuten uitsluitend toekomen aan de algemene vergadering van de NAV. Dit orgaan heeft echter het BRR in zijn huidige vorm nimmer conform die statuten goedgekeurd of vastgesteld.
Dat het Federatiebestuur van de KNAF zulks wel heeft gedaan doet hier niet aan af. Niet-naleving van statutaire vormvereisten door de NAV brengt in beginsel nietigheid met zich mee. Het BRR 2000 bestaat niet.
Grief 10: Het BRR is onverbindend (2).
Indien en voor zover mocht blijken dat de grieven 8 en 9 door u gepasseerd worden, dan wijst van Vliet er op dat het Federatiebestuur van de KNAF het BRR 2000 in strijd met haar statuten heeft goedgekeurd. Zoals u weet vormen de statuten de grondregels van de federatie. In art. 10.2 van de KNAF-statuten staat: "Reglementen mogen niet in strijd zijn met bepalingen van de FIA, de KNAF, overheidsbepalingen of wetgeving."
Wel nu, de bepalingen van het BRR conflicteren fundamenteel met de bepalingen Appendix L, Chapter IV, van de FIA terzake van rijgedrag. Een voorbeeld: de WL mag volgens het BRR in zijn eentje -in plaats van een collegiaal besluit van de Sportcommissarissen zoals voorgeschreven door de FIA- de eerste twee tijdstraffen opleggen. Met andere woorden, de KNAF bepaalt dat de politieagent ook rechter is.
Onder de FIA-regels zijn deze machten strikt gescheiden in art. 141 en 142 van de CSI. Verder heeft WL in Appendix L geen enkele bevoegdheid om tijdstraffen op te leggen. Hij heeft slechts een signalerende taak. De beslissing is aan de Stewards.
De vraag komt op of het Federatiebestuur van de KNAF -onder het mom van aanvullende bepalingen, die in feite conflicterend werken- statutair het BRR 2000 heeft mogen goedkeuren nu dit zozeer indruist tegen fundamenten van de FIA zoals voorgeschreven in de CSI en Appendix L. Van Vliet meent dat de KNAF dit niet mag doen. Daar komt nog bij dat de FIA geen reglement rijgedrag heeft zoals het BRR. Zelfs niet in de Formule 1.
Wat de FIA niet heeft kan zij ook niet delegeren.
Art. 4 en 5 van de FIA statuten bepalen immers -en daar heeft de KNAF zich strikt aan te houden- dat de ASN in haar territoir op basis van een gedelegeerde bevoegdheid de bestaande autosportautoriteit mag uitoefenen die de FIA heeft. Niets meer en niets minder. De KNAF moet dan ook binnen het speelveld van de FIA blijven en mag dit veld niet buiten die lijnen uitbreiden. Dat doet de KNAF wel met dit BRR. Zo wordt de WL in het BRR met extra bevoegdheden omhangen. Wellicht verklaart dit ook waarom de KNAF nog steeds geen goedkeuring heeft gevraagd aan de FIA.
Zolang het BRR niet door de FIA is goedgekeurd -zodat daarmee vaststaat dat het binnen de door de FIA gestelde regels past- dient formele rechtsrecht aan het BRR te worden onthouden dan wel te worden opgeschort.
Een BRR wat in strijd is met de statuten van de KNAF of FIA is onverbindend. Voor van Vliet betekent dit dat hij bij een internationaal evenement niet op grond van art 2.2 BRR kan worden bestraft.
Grief 11: Motiveringsgebreken.
Na deze zware kost over statuten gaat van Vliet weer verder met de inhoudelijke grieven op de bestreden beslissing: De motivatie van de beslissing ontbreekt.
Er worden alleen bronnen vermeld, namelijk de verklaringen van de WL en Uljee. Daarnaast wordt het rapport van de WL genoemd als bron. Maar die bron is de verdediging steeds onthouden. Het blijft dan ook na deze beslissing van de Sportcommissarissen onduidelijk waarom en welk feit precies bewezen is verklaard.
Zoals u weet is dit een belangrijk beginsel van een behoorlijke rechtspleging. Als we de tekst van het telastegelegde artikel 2.2 van het BRR goed analyseren, dan valt op dat er twee overtredingen worden beschreven, t.w.:
1. Iedere deelnemer moet altijd trachten een botsing met een andere deelnemer te voorkomen. De deelnemer die op grond van de race-situatie in de beste positie verkeert om een botsing te voorkomen en hierin nalatig is, maakt zich schuldig aan onzorgvuldig c.q. onsportief rijgedrag ten opzichte van de andere deelnemers.
2. De deelnemer die ten koste van een andere deelnemer een voorzienbaar risicovolle manoeuvre uitvoert en daardoor met de andere deelnemer in botsing komt, maakt zich eveneens schuldig aan onsportief rijgedrag.
Er is in de onderhavige beslissing niet vastgesteld welke van de twee gedragsnormen Van Vliet zou hebben overtreden. De beslissing dient dan ook vernietigd te worden.
Van Vliet betwist uitdrukkelijk dat hij in de beste positie verkeerde om een botsing te voorkomen. Van Vliet vindt het verder gezocht en overdreven dat voor een touche na de start in de Tarzanbocht in een cupwedstrijd dit artikel van stal gehaald wordt. Zoals uit de race-praktijk blijkt is de strekking van het BRR immers niet om iedere touche te bestraffen. Verder is van Vliet van mening dat hij geen risicovolle manoeuvre heeft uitgevoerd. Deze situatie komt bijna bij iedere start van een cup voor.
Grief 12: Onzorgvuldigheid.
De WL stond tijdens het incident niet in de Tarzanbocht. Getuige Lubin wel. Tijdens de race bekeek de WL de videobeelden in de controlekamer. De waarneming van de WL kan dus alleen gebaseerd worden op die beelden. Uit de beslissing van de Sportcommissarissen blijkt echter niet dat zij die beelden in hun besluitvorming hebben betrokken, hoewel zij dat wel gedaan hebben. De Sportcommissarissen zijn dan ook onzorgvuldig c.q. onvolledig geweest, namelijk door die bewijsmiddelen niet te vermelden in hun beslissing (prod. 1).
Grief 13: Schending van beginselen van een behoorlijk proces.
Wij verlaten nu de bestreden beslissing met een paar algemene opmerkingen welke wellicht voor uw oordeel van belang kunnen zijn. Als advocaat moet een dikke huid hebben, maar mijn ervaringen in dit dossier gaan mij toch iets te ver, t.w.:
De verdediging is stelselmatig door de KNAF tegengewerkt in de voorbereiding van dit beroep. Uw secretariaat vertraagde de zittingsdatum, ondanks het feit dat gemachtigde een ander beroep had ingetrokken en er dus ruimte zou moeten zij geweest om reeds op 17 augustus 2000 uw geacht College over dit beroep te laten oordelen. Ik heb daarbij zelfs aangeboden om dit beroep binnen een half uur af te handelen.
Van Vliet kan zich echter niet aan de indruk onttrekken dat dit een vertragingspoging van de KNAF was, in de hoop dat er op Monza iets zou gebeuren waardoor het belang van dit beroep ondermijnd zou worden. Dan had de KNAF een probleem minder. U stelt zich als exclusief forum op. U dient dan ook wel toegankelijk te zijn, desnoods via een spoedprocedure, of zoals ik onlangs in Zweden meemaakte, door middel van een telefonische zitting.
Had deze vertraging niet plaatsgevonden, dan had Van Vliet -zoals gebruikelijk- voor het volgende evenement uw uitspraak binnen. Nu verkeert van Vliet zeker tot midden september in onzekerheid over zijn kansen op het kampioenschap. Dat de volgende wedstrijd nu op 1 oktober is vastgesteld door het wegvallen van Monza doet er niet toe. Het wegvallen van Monza kwam niet door toedoen van de KNAF.
Mocht u toch menen dat Van Vliet rechtens gestraft kan worden, dan verzoekt van Vliet u in redelijkheid met deze lange duur van onzekerheid over de afloop rekening te houden. Dat lijkt mij al straf genoeg.
Als tweede voorbeeld van tegenwerking, meldt ondergetekende dat hem op 23 augustus jl. (wederom) stukken zijn onthouden, in dit geval door uw eigen secretariaat. Het betreft hier het verzochte volledige rapportformulier van de Sportcommissarissen over het evenement. Zoals ik aangaf in mijn brief van 23 augustus acht ik dat relevant voor de verdediging. Uw secretariaat antwoordde in haar brief van diezelfde datum doodleuk: "Het door u gevraagde volledige rapportformulier sportcommissarissen betreffende de Marlboro Master wordt beschouwd als een intern stuk en zal derhalve niet aan het dossier worden toegevoegd".
U zult begrijpen dat ik mij moeilijk kan vinden in dit soort lijdelijke taal waarbij in het midden blijft wie die beslissing heeft genomen. Wie bepaalt of iets intern is. En als het al intern is, betekent dat dan dat het aan u als rechter mag worden onthouden? Dit is niet acceptabel en ontneemt mij als advocaat gereedschap om mijn werk goed te kunnen doen.
Ten derde: ook zijn mij de processtukken 6,7 en 8 onthouden. Hoewel ondergetekende de moeite heeft genomen om op de sluitingsdatum van indiening de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien, is mij de videoband getoond. Op mijn vraag of dat alles was, werden mij vervolgens 7 foto's getoond die door mw Uljee waren ingebracht. Meer was er niet, aldus het secretariaat. Nu weten wij wel anders. Dat die stukken 6,7,8, twee dagen later wel zijn toegestuurd is irrelevant. Als een advocaat gebruikt maakt van het recht op inzage zoals vastgelegd in art. 20 RAR, dan heeft het secretariaat daarin volledige openheid te betrachten.
Ten vierde: er worden blijkens de brief van de KNAF d.d. 23 augustus 2000 in "belastende" stukken aan het dossier worden toegevoegd die daar niet in horen. Ik doel daarmee op:
- de oproep van de heer Splinter tot een zwaardere straf (prod. 6);
- de poging van mw. Uljee om zich aan deze zitting te onttrekken (prod. 7)(Noot: dit is in strijd met 21.2 RAR); - de toelichting op de foto's (prod. 8).
Deze stukken zijn in strijd met art. 19.2 RAR ingebracht. Alleen partijen kunnen stukken in het geding brengen. Partijen in het onderhavige beroep zijn het College van Sportcommissarissen en Van Vliet. Met alle respect, maar de heer Splinter en mw. Uljee zijn wel betrokkenen, maar geen partij. Van Vliet verzoekt u geen acht te slaan op deze stukken.
5. Tot slot
Mocht u ondanks de aangevoerde argumenten termen aanwezig achten om Van Vliet te straffen, dan verzoekt hij u om in redelijkheid en billijkheid de opgelegde straf te beoordelen, waarbij u wellicht rekening kunt houden met de omstandigheid dat aan Van Vliet -ondanks zijn lange racecarrière- nog niet eerder een tijdstraf is opgelegd. Op basis van het voorgaande -al dan niet in samenhang bezien- verzoek ik uw College als hoogste rechterlijke autosport instantie in Nederland te beslissen:
a. Van Vliet's beroep ontvankelijk te verklaren;
b. Zijn beroep toe te wijzen;
c. De beslissing van het College van Sportcommissarissen d.d. 6 augustus 2000 te vernietigen, althans de nadelige werking daarvan te ontnemen;
d. Zo u toch termen aanwezig acht om Van Vliet te straffen, deze straf te beperken tot een waarschuwing;
e. de KNAF op grond van art. 30 RAR als beklaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder redelijke kosten voor rechtsbijstand;
f. Het protest- en beroepsgeld aan Van Vliet te restitueren;
Dank u.
De gemachtigde,
Mr Breus van der Horst
VRAGEN GETUIGE F.A. LUBIN. 1. Wat omvat uw autosport ervaring zoal.
2. Welke autosport functies bekleedt u.
3. Heeft u het incident van Vliet-Uljee gezien.
4. Waar stond u op dat moment.
5. Wat heeft u precies gezien.
6. Acht u dit incident in strijd met het bijzonder reglement rijgedrag.
VRAGEN AAN BETROKKENE MW. ULJEE.
1. Ik toon u productie 7. Waarom heeft u verzocht om niet gehoord te worden.
2. Zou U de start tot en met het incident willen beschrijven met wat u gezien en gevoeld heeft.
3. Is het juist dat u na de start een touché had met Zentveldt (nr. 15)
4. Is het juist dat u eerder moest remmen voor de Tarzan als gevolg van de voor u rijdende auto's.
5. Is het juist dat u de rechterzijde van de baan vrij heeft gelaten.
6. Is het juist dat u gezien heeft dat daar een andere rijder gebruik van maakte.
7. Is het juist dat deze rijder later remde dan u.
8. Is het juist dat u deze rijder ruimte had kunnen geven.
9. Heeft het feit dat u geen protest heeft ingediend iets te maken met de tik die u in Bos Uit uitdeelde aan mw. van der Sloot (nr 17), een teamgenoot van Van Vliet.
10. Waarom heeft u geen protest ingediend tegen Van Vliet.
11. Weet u dat u geen partij bent bij dit beroep en daarom geen stukken mag inbrengen.
VRAGEN RIJDERSVERTEGENWOORDIGER E. BOLDERHEIJ (Noot: niet aan het woord gekomen)
1. Bent u door Van Vliet uitgenodigd voor deze zitting.
2. Bent u door de Sportcommissarissen uitgenodigd voor deze zitting. Indien de antwoorden van de heer Bolderheij ontkennend zijn, dan wordt u College verzocht op grond van art 21.3 RAR geen acht te slaan op zijn verklaring nu hij niet door partijen is uitgenodigd.
VRAGEN AAN WEDSTRIJDLEIDER H. SPLINTER. (Noot: dit fileermes is niet gehanteerd, omdat de WL zichzelf diskwalificeerde tijdens de zitting en deze vragen niet meer nodig waren om dat zelfde effect te bewerkstellingen)
1. Was u op de hoogte van de reglementaire verplichting om kopie van uw beslissing aan de rijder uit te reiken.
2. Is het juist dat mw Waterreus prod. 2 heeft opgemaakt.
3. Neemt u daarvoor de volledige verantwoordelijkheid.
4. Heeft u de inhoud van dit formulier op juistheid gecontroleerd.
5. Weet u wat uw bevoegdheden zijn op grond van het door u aangehaald art. 16 Wedstrijdreglement.
6. Weet u dat u geen partij bent bij dit beroep en daarom geen stukken mag inbrengen.
Please note:
this info is meant for educational and demonstrative purposes
only. Review this legal information with your motor sports
attorney before using them in your particular situation.
Motorsportlaw.org makes no warranties, express or implied
regarding the use or legal enforceability of the legal
information listed on this site.